
Rond het middaguur bereikten we Tivoli, een typisch Italiaanse stad in de heuvels met smalle straatjes van donkere klinkersteentjes. We zochten eerst een plekje om te lunchen, maar namen daar vandaag korter de tijd voor, aangezien ik stond te springen van ongeduld om de Villa d’Este te bezoeken.

Waarom? Nou, dat paleis was best oké en de rondleiding was interessant. Maar na die rondleiding werden we meegenomen naar de tuin! Nog voordat we een voet naar buiten hadden gezet, hoorde je al het ruisen van water, het ritselen van planten. Het uitzicht benam ons absoluut elk restje adem.
We slenterden door de parkachtige tuin, over smalle galerijen, brede lanen, over terrassen, trappen op en af en met overal in onze oren dat geklater, nu eens kabbelend, dan weer bruisend of hoog opspuitend. Ik had nooit geweten dat water zoveel klanken had! Er waren honderden kleine bronnen, grappig gevormde bassins en gigantische fonteinen die soms eerder deden denken aan watervallen in de jungle. De geur van groen hing zwaar in de lucht, terwijl vlinders er loom doorheen zwalkten. Ik kon me niet herinneren dat ik ooit eerder zo’n romantische plek had gezien.


Bij een grote waterval-achtige fontein kwamen we tot stilstand. Zo op het eerste oog leek het alsof in de wand achter de waterval door groen omvatte nissen waren aangebracht, maar toen we beter keken, zagen we dat er een galerij achter langsliep. Heel even zag ik ons door de galerij lopen, verborgen voor de rest van de wereld, naar buiten glurend door de uitsparingen. Helaas bleek de galerij afgesloten te zijn voor publiek.

